Stella
` k verlang nog vaak naar jou
je bent een droom van mij
hoeveel ik van je hou
het is nog niet voorbij
ik kan niet bij je komen
ik zie je in mijn dromen
dat is niet wat ik wil
t is daarna zo stil
het waren die andere tijden
die jou en mij toen scheidden
Stella
` k had alles wel gehad
niets deed mij daar nog hopen
hoe kon ik weten dat
jij zo maar aan kwam lopen
daar in dat verre land
beroofd van m `n verstand
mij als een gouden ster
van oneindig ver
de herinnering weer bracht
en voerde uit de nacht
Stella
wind en wolken zon en regen
jagen die tijden voorbij
duizend sterren op hun wegen
sturen jou een groet van mij
een wonder dat was jij
jij kwam mijn hart verwarmen
de nacht liet jou niet vrij
en nam je uit mijn armen
ik kan je niet vergeten
je zult het nooit meer weten
of zie ik jou soms weer
op de een of andere keer
dan ben ik weer van jou
omdat ik van je hou
Stella


Hoop
Ik ben in de wereld geboren
Een ruimte-mens als iedereen
Nu heb ik mijn vrijheid verloren
Ben ik gevangen
Alleen
Mijn liefsten heb ik moeten verlaten
Zonder een kus of een groet
In mij groeit het haten
`k heb nooit een vijand ontmoet
Achter mij zijn de poorten gesloten
`k zie van de zon slechts het licht
als ik vlucht wordt op mij geschoten
heel direct – met scherp – en gericht
in mij groeit het verlangen
vrij te zijn – gaan waar ik wil
zonder vijand – die mij wil vangen
in mij staat die wereld nu stil
Zie ik de noorderster – soms aan de hemel staan
Vast aan de Grote beer - geeft zij de richting aan
In`t oosten klimt de zon - in `t westen daalt zij neer
Als ik hier uit zal zijn
....Vind ik de vrijheid weer


geschreven op allerheiligen 1 nov 1986
ik ben verdwaald
ik ben allang niet meer van hier
ik ken je naam
ik zoek een weg
ik zoek al jaren om mij heen
ik ken je naam
de jaren zijn voorbij gegaan
De tijd, ^
een zucht,
een eeuwigheid
is minder waard dan stof
als gisteren lach je tegen mij
jouw verten raken mij nog aan
jouw hoop op leven
niet vergaan
doen mij hier ^ diep in deemoed staan
Herinnering aan Stella. Een Amsterdams meisje. 17 jaar was je in 1945.
Auswitz had je overleefd. Je kwam terug in Amsterdam. Pas 19 jaar was je ,
Je overleefde de geboorte van je eerste kindje niet.
geboren: 8 september 1928 -overleden: 16 Mei 1948


Het schip afmerend aan de dijk van mijn kindertijd op een
buiten verwachting - zonnige - windarme - zaterdag in september
In de nagenoeg verregende zomer - wacht ik tot ze komen
de herinneringen -..... stapvoets naderen de vreugde ........... de blijheid
Zondags ontvucht ik - terwijl de stormwind jaagt - de regen plaagt -
leunend tegen de helmstok .......... de opvolgers
vaar - koershoudend - mijn vrijheid tegemoet
Een mens heeft dat soms. Dat je gekonfronteerd wordt. Zo maar. Plotseling.
Je bent je nergens van bewust. Of misschien wel juist daarom. Je verwacht iets aardigs.
Iets onbestemds. Plotseling schakelt er iets in je hersenen.
Je weet niet waar het vandaan komt. Maar het blije is weg !
Er komen beelden, herinneringen, die je ondersteboven werpen..
Dat had ik die keer daar.
Toen ik het schip vastmaakte aan een stukje dijk uit mijn kinderjaren.
Gelukkig stormde het daarna.
Dat is nog het beste wat je dan kan overkomen.
Buiten zijn ! In storm en regen ! Dat overweldigd je.
Brengt alles terug in de juiste proporties.

`t laatst vernieuwd op: 27 November, 2008
Gejaagd geschreven op allerzielen 2 nov 1986
Ik ken geen rust - nog tijd - nog keer
Ik voel de dreiging telkens weer
Ik ken geen plaats – nog huis – nog halt
Waar de onrust mij niet overvalt
Is het de aard – of het – mijzelf
Waar ik ook zoek - of in mij – delf
Vind ik de sporen van de strijd
“ Gejaagd “te zijn – raak ik nooit kwijt



Gevangen genomen - ver van je land -
je wereld in vlammen - je wereld in brand
niets heeft er nog waarde -- alles is stuk -
weg is je vrijheid -- weg je geluk
gevangen genomen --
gesorteerd-op transport -
gejaagd - geslagen ---- je haren gekort
gemerkt, genummerd,
geen bezittingen meer
bewaakt vanaf torens
met groot licht
en geweer
knagende honger
de wanhoop ten prooi
vertwijfeld zoeken ---
als een dier
in zijn kooi
zwaar lichamelijk werk ---
geen enkel plezier
je haat dan zo`n vijand - denkt waarom ben ik hier
je kunt dan niet willen - een van hen te zijn
geen macht van de wereld -- krijgt je zo klein
ontsnapt uit het kamp - - trek je door de nacht
vervuld van de angst - - op de jagers bedacht
geen mens is te vertrouwen -- je leeft op de rand
van vrij of geketend -- tot aan het moment
dat je weer wordt gevangen
............. een gevangene weer bent

Ergens bij die rode pijl
ben ik bevrijd door:
3 Russische soldaten.
Een stuurt de auto
Twee anderen zitten ter weerszijden, het geweer in aanslag, op het voorspatbord
De auto stopt.
We zijn gevangenen.
De bewakers van onze groep
ben ik ontvlucht.
We moeten schansen.
Tankvallen graven tegen de aanstormende Russen
Ze gebaren mij, om met mijn handen omhoog
hen tegemoet te lopen.
Ze horen bij een
infanterie eenheid van ongeveer 50 man,
die met een tankeenheid
van 5 of 6 tanks optrekt.
Storm over Europa
Een kaart van Europa -
Een reis er doorheen
Alles verloren
Gevaar om je heen
Simpele kruizen – markeren een route
soms stippen – soms pijltjes
Meer is het niet
Gejaagd door de storm – die de aarde toen plaagde
Brachten die tekens – mij dichter naar huis
Tot op een dag
`k was vermoeid van het vluchten
de zon in het zuiden – zie ik nog staan
was daar de vijand
die mij wist te pakken
zo is er mijn vrijheid
mijn vrijheid vergaan
muziek, zang : Klaas Versteeg
tekst : D.Versteeg
Fragment uit * Flarden *
Toen ik op die tweede pinksterdag
van de 4de mei 1945 Odessa verliet bezat ik praktisch niets.
In 1960 deed ik een poging om de aankomst onder woorden te vangen.
Ik neem woordelijk over:
April 45.
Van Csernowits in Roemenie, aangekomen in Odessa in de Ukraine.
Aankomst in Odessa per provisorisch
voor vervoer van mensen ingerichtte goederentrein.
Eerst gesorteerd en gelijk daarna verhoord
door een Russische millitaire verhoorcommisie.
Daarna ontluist en gevoed.
De overigen, waaronder ik krijgen een in het Engels gestelde kaart
met het opschrift * Displaced Person *. Dat is nu mijn pas.
De volgende dag verder getransporteerd { te voet }
naar een dorpje aan de Zwarte Zee dichtbij Odessa.
Een serie gebouwen, eigenlijk een sanatorium, is ons nieuwe onderkomen.
Een grote, hoge zaal, waarin halverhoogte, de hele zaal omzomend,
een soort tussendek is aangebracht [zoals een balkon in een theater]
met een vloerbreedte van zeg maar 3 meter.
Er zijn geen bedden of kooien.
Er is op die manier wel veel ligruimte.
Zodat er voor diegenen die op vloer liggen, langs gelopen kan worden.
Ik vind een plaatsje op het einde van het tussendek.
Eenmaal geinstalleerd heb ik uitzicht op de hoofdingang.
Tussen de nieuw aankomenden zie ik,
een meisje de trap aan het begin van de ligvloer opkomen.
Ik volg haar met mijn ogen en zie dat ze halverwege, in een,
opening tussen de daar liggende of zittende mensen plaats neemt.
Mijn honger doet mij het tafereel vergeten.
Als ik later mijn plekje opzoek, is zij nog op dezelfde plaats.
Maar nu zit zij met haar rug tegen de muur.
Ik kijk vanaf mijn plek naar haar. Tussen het luide gepraat. Tussen de anderen door,
val ik in de enorme zuigkracht van de leegte, die uit haar ogen staart.
Langzaam sta ik op. Loop voor de voeten langs, bij de opening naar binnen.
Ik ga voor haar op mijn knieèn zitten. Kijk in haar donkere ogen.
Herken de afgrond die voor haar opdoemd.
" Heb je honger ", vraag ik. Ze blijft staren. Zegt niets.
" Ik zal wat voor je halen ". Ze kijkt naar mij en zegt niets.
" Wacht maar. Ik ben zo terug ".
Uit mijn veroverde voorraad maiskoeken neem ik er twee.
Ga naar haar toe. Weer vlak voor haar op mijn knieèn.
De honger. Dat scherpe zwaard, verbreekt de ban.
Ze neemt een koek van mij aan en begint langzaam te kouwen.
Ik blijf haar aankijken en vraag: " Hoe heet je ".
" Stella"; zegt ze.
Ben je met deze mensen. Ik wijs om mij heen. Ze antwoordt niet.
" Met wie ben je ".
Zonder dat ze iets zegt weet ik het antwoord.
Niemand !!!!
Ik ben 20 jaar.
Wat me overkomt is zo ongelofelijk,
dat ik haar toestand als vanzelfsprekend ervaar.
" Ga je mee ? Dan gaan we eens rondkijken ".
Na een poosje schudt ze van "Nee".
Ik maak een gebaar van; zelf weten, sta op, ga de trap af. Naar buiten.





<< terug naar
verhalende gedichten ,
dichtende verhalen
en liedjes